FAQ

Wat is een verpleegkundige diagnose?

Een verpleegkundige diagnose is een klinisch oordeel over de ervaring of reacties van een individu, gezin, groep of gemeenschap op actuele of potentiële gezondheidscondities of levensprocessen. Een verpleegkundige diagnose vormt de basis voor selectie van verpleegkundige interventies waarmee zorgresultaten worden bereikt, waarvoor de verpleegkundige verantwoordelijkheid draagt (NANDA International 2014).

De term ‘diagnose’ komt uit het Grieks, waarin het de betekenis heeft van ‘onderscheid maken’. Het stellen van een verpleegkundige diagnose is een aan de hand van kenmerken herkennen en analyseren van verpleegproblemen (= patiëntproblemen), een kritische studie met als doel het vaststellen van de ‘eigenheid’ van het verpleegprobleem.

Het concept van het identificeren van specifieke patiëntproblemen is niet nieuw. Verpleegkundigen hebben echter vanwege de medische connotatie lange tijd geaarzeld om de term diagnose te gaan gebruiken. Bezien vanuit de optiek dat het hierbij gaat om het vaststellen van wat er verpleegkundig gezien precies met de patiënt aan de hand is, lijkt deze aarzeling ongegrond.

De term diagnose is bovendien niet alleen verbonden aan de uitoefening van het medisch beroep, maar wordt in vele beroepen gebruikt. Het gaat dan ook niet om de vraag of verpleegkundigen kunnen diagnosticeren, maar meer om de vraag wat verpleegkundigen in het kader van het verpleegkundig procesmatig werken kunnen en moeten diagnosticeren. Hiertoe werden in de vijftiger en zestiger jaren reeds verscheidene classificatiesystemen ontwikkeld.

Voorbeelden hiervan zijn:

    • Abdellah’s 21 ‘nursing problems’ (Abdellah, 1973)
    • Henderson’s veertien basisbehoeften ’the basic human needs’ (Henderson, 1971)
    • Yura en Walsh’ ’35 human needs’ door (Yura en Walsh, 1988).
    • En in Nederland bijvoorbeeld de 18 aspecten van het menselijk functioneren door Van den Brink-Tjebbes (1987).

Ter vermijding van de term diagnose werden aanvankelijk termen gebruikt als ‘verpleegproblemen’, ‘verpleegbehoeften’, ‘zelfzorgbehoeften’ en ‘klinisch oordeel’. In Van der Peets Inleiding in de verpleegkunde (1990) lazen we zelfs een begrip als ‘trophicognosis‘, ofwel ‘a nursing care judgement developed by the scientific method’. Een begrip gevormd uit een combinatie van het Griekse ’throphè’ (voeding of leefwijze) en ‘gnosis’ (kennen of weten).

Vanaf de jaren zeventig echter lijkt de term verpleegkundige diagnose meer gebruikt te gaan worden. Dit hangt samen met het groeiend besef dat er in de verpleging wel degelijk ook sprake is van onafhankelijke verpleegkundige interventies en een eigen verpleegkundig domein. Want hoewel geneeskunde en verpleegkunde een gemeenschappelijk materieel object hebben (mensen met (dreigende) gezondheidsproblemen) onderscheiden Zij zich door het perspectief van waaruit zij dit materieel object beschouwen. De geneeskunde richt zich op de structurele en functionele stoornissen van organen en orgaansystemen. De verpleegkunde richt zich op de gevolgen van die stoornissen en hun behandeling voor de fundamentele levensverrichtingen van het individu. De diagnostiek van de arts is dan ook gericht op die stoornissen, de diagnostiek van de verpleging op de feitelijke en/of dreigende gevolgen van die stoornissen, en dan met name het gedrag dat mensen als gevolg van die stoornissen vertonen. Een en ander is in Nederland duidelijk omschreven in het verpleegkundig beroepsprofiel van de Nationale Raad voor de Volksgezondheid (NW, 1988).